← Duikgids

Gasplanning voor duikers: hoe je nooit zonder lucht komt te zitten

Uitgeput raken van gas is een van de meest vermijdbare en tegelijk meest dodelijke risico's in het duiken. Goede gasplanning voorkomt paniek aan het einde van een duik en zorgt dat je altijd genoeg reserve hebt voor een gecontroleerde opkomst. Dit is de basis die elke duiker moet beheersen.

De SAC-rate: jouw persoonlijke gasverbruik

SAC staat voor Surface Air Consumption — het volume gas dat je per minuut verbruikt in liters per minuut, gemeten op het oppervlak. Je SAC-rate is een maat voor hoe efficiënt je ademt.

Gemiddelde SAC-rates:

  • Onervaren duiker: 18–25 liter/min
  • Gemiddeld gecertificeerde duiker: 14–18 liter/min
  • Ervaren duiker: 10–14 liter/min
  • Professionele instructeur: 8–12 liter/min

Je werkelijke gasverbruik op diepte is hoger dan je SAC omdat lucht samengeperst wordt door de druk. Op 30 meter (4 bar absolute druk) verbruik je vier keer zoveel gas per minuut als aan het oppervlak.

SAC-rate berekenen:

  1. Begin met een volle cilinder (bijv. 200 bar in een 12 liter cilinder = 2.400 liter)
  2. Maak een duik op bekende diepte (bijv. 10 meter) met stabiel drijfvermogen
  3. Noteer het begindruk, de einddruk en de duiktijd
  4. Bereken: (beginbar - eindbar) × cilinderliter / duiktijd / drukfactor
  5. Drukfactor op 10 meter = (10/10) + 1 = 2

Voorbeeld: 200 bar begin - 165 bar einde = 35 bar × 12 liter = 420 liter / 20 minuten = 21 liter/min / 2 (drukfactor op 10m) = 10,5 liter/min SAC.

De regel van derden

De basisregel voor gasmanagement bij alle duiken:

  • 1/3 van je gas voor de ingaande route
  • 1/3 voor de terugroute
  • 1/3 als reserve

Bij een enkeltank met 200 bar betekent dit: na 67 bar is het moment om om te draaien. Bij 133 bar is het een probleem als je nog diep bent en ver van het opstijgpunt.

Bij driftduiken (je gaat met de stroom mee en de boot haalt je op): gebruik de helft van je gas als omkeerpunt, houd de andere helft voor de terugkeer en reserve.

Gas monitoren tijdens de duik

Elke 5–10 minuten: check je manometer. Geef je buddy ook een gascheck-signaal.

Gasprijzen bekijken: leer het verschil tussen 200 bar (volle tank), 150 bar (nog veel), 100 bar (begin op te letten), 50 bar (reservegas, langzaam naar boven), 30 bar (direct omhoog).

Buddy-gascheck: het signaalgebaar voor gas: vijf vingers van één hand laten zien, daarna een vingers openblazen (gasballonbeweging). De buddy toont zijn druk terug.

Gasmarkering op je arm: sommige duikers schrijven hun gaslimieten (turn pressure, reserve pressure) met een loodstift op hun polsband of BCD.

Wanneer gas-alarm reageren

Elke duikcomputer heeft een aanpasbaar lage-gasalarm (bijv. 50 bar). Als dit afgaat:

  1. Geef direct een gascheck-signaal aan je buddy
  2. Stijg gecontroleerd op — maar sla geen veiligheidsstop over
  3. Doe de veiligheidsstop op 5 meter zolang je gas hebt
  4. Kom altijd met minimaal 30–50 bar boven water

Als je bijna door je gas heen bent op diepte:

  1. Geef direct het nood-lage-gassignaal (heftige heen-en-weergaande armbeweging)
  2. Je buddy geeft je zijn octopus (alternate air source)
  3. Stijg samen op in tandem-modus, buddycomm via oogcontact en handgebaren
  4. Veiligheidshalte op 5 meter als gas het toelaat

Gasplanning per type duik

Dagduik met 12L enkeltank (200 bar = 2.400 liter):

  • Turn pressure: 133 bar (na 1/3 gas)
  • Reserve: 67 bar (na 2/3 gas)
  • Veiligheidshalte: altijd minstens 30 bar resterend

Wrakpenetratie of cavernduik:

  • Gebruik de regel van kwarten: 25% heen, 25% terug, 50% reserve
  • Nooit verder dan 1/4 van je begintank

Diepe duik (30 meter):

  • Hogere SAC verwachten (stress + druk)
  • Reken met 1,5× je normale SAC voor de planningsberekening

Gebruik Depth om je gasverbruik per duik bij te houden — na twintig duiken op vergelijkbare dieptes zie je je eigen patroon en kun je nauwkeuriger plannen.